Reisboek Casa Vista - 1

    Met extra metaforen (vanwege schrijfopleiding), voor hetzelfde geld.

    Japanners reizen in kuddes. De kudde waar ik langs loop is wel driehonderd exemplaren groot. De herder is even elders, en dus staat de kudde schaapachtig om zich heen te kijken. Als ik kennis met ze zou maken, zou het zes jaar duren voor ik ze uit elkaar kon houden. Ze zijn gek op zwart haar en dunne kleurige donsjasjes. Ook op hoedjes, en vooral op telefoons. Met extra geheugenkaart voor achtduizend foto’s. Chinezen bewegen zich in kleinere kuddes. Die zijn druk met hun grote koffers. Ze laten er tegen betaling plastic folie omheen wikkelen, als voedsel dat dan langer houdbaar is. Zo kunnen die schavuiten van het Schiphol-personeel, in de geheime krochten onder het vliegveld, de souvenirs en kunstvezel kleding niet achterover drukken. Zou eigenlijk niet heel erg zijn, ’t is toch allemaal made in China. Schiphol fascineert. Duizenden mensen per uur lanceert hij alle kanten op en hetzelfde aantal ontvangt hij moeiteloos. Elk uur en elke dag, het hele jaar door. KLM-stewardessen schreiden ons voorbij. Ze dragen hun blauwe mantelpakjes met trots en hebben benen die net zo lang zijn als een complete Chinees. De jongedame waar wij nu op afstappen werkt voor een Spaanse maatschappij. Bij haar zijn alleen de wimpers spanje mei 17 japannerslang. Vriend B. kletst met haar. Hij is erg goed in regelen en ritselen. Onze koffertjes mogen nu gratis mee als ruimbagage, dat scheelt een hoop gedoe. Ook hebben we opeens kosteloos vier stoelen met extra beenruimte, straks, in het vliegtuig. Ik kijk naar de dames achter de Schipholbalies. Ik denk dat zij hier ook vierentwintig uur per dag werken. Elke dag. Hun huid snakt naar buitenlucht, een voelbare bries of een straaltje zon. Hun kaken en lippen verkeren in een staat van verkramping, met de wezenloze glimlach van een Barbie in de verpakking.

    We trekken weer verder. Ik zou willen dat ik een bionische vrouw was, dan liet ik een fototoestel in mijn pupil inbouwen. Ik fotografeerde dan al die verschillende mensen. Twee vrouwen in mooie Sarongs, met voeten die platgegroeid zijn door flinterdunne slippers. Ach, wat heb je ook aan die voetboog. Ze dragen een kind in een doek op hun heup. Precies zoals in het boek dat ik spanje mei 17 klompnu lees, gek eigenlijk, want dat speelt in in het jaar 1875. Nu kijk ik naar een klein kind dat op de grond staat. Het is een ginger, en zo piepklein dat het op je keukenaanrecht kan staan zonder dat het de bovenkastjes zou raken. Ik weet nog dat mijn kinderen daar ooit ook rechtopstaand onder pasten. Hoewel Kindje 3, zomers naakt, toen wel in het bakje met de koffiefilters waterde. Met die heerlijke onbedorvenheid van een kind van één, en het heerlijke boogje onschuld dat zacht klaterde. Ik heb een soort karretje waar onze resterende tasjes handbagage op liggen. Het mag mee het toilet in. Een beetje raar is het wel, een beetje krap ook. En onhandig, omdat het maar aan één kant stuurwieltjes heeft. Met veel lawaai stommel ik het toilet uit. Iedereen kijkt, maar niemand glimlacht of zegt iets. Ik was dan ook maar zwijgend mijn handen. Ik knoei water op mijn rokje, dat direct donkere vlekken laat zien op de lichtgrijze stof. Op een plek die de verbeelding zal prikkelen. Gelukkig is er zo’n superstormachtig powerkracht handdroogblaasapparaat. Daar past de voorkant van het rokje precies in. Goed vasthouden, ik ben bepaald geen Monroe, mijmer ik. Meer een dromerige koe. Als de kudde op het juiste tijdstip vanzelf naar de melkplaats sjokt, is er altijd één treuzelend koetje. Ik kan dat niet helpen, telkens vertraagt mijn pas door obstakels van geluiden, geuren en beelden. Een familie met te veel koffers op een bagagewagentje, en daar nog twee kleuters bovenop, bereikt het einde van de rolvloer. Het wagentje wil niet over de drempel. Als een harmonica klinken alle koffers en mensen in elkaar, tot het instrument niet verder ingedrukt kan worden en koffers, ledematen en wieltjes doorspanje mei 17 loopband de rolband uitgebraakt worden. Een onontwarbare knoop dreigt. Plots komt uit het niets een bebaard bebrild wit overhemd aangesneld. Verrassend atletisch trekt hij aan de gekantelde kar en dito kind, en als een goedgestrikte veter is de knoop direct opgelost. Op het nippertje. Onmiddelijk is deze brede gang weer de gewone van zaken. Iedereen loopt een kant op. Het leek wel een flashmob. Ik zie nu een Nederlandse familie: man, vrouw, zoontje, dochtertje. Ik vroeg me wel eens af wie dat aanschaft, een zesdelige harde glanzende witbevlinderde kofferset. Nu weet ik het. Om de nekjes van de kinderen hangt een hoefijzervormig nekkussentje. Mijn hoofd schuddend om zoveel overbodigheid tuur ik in de verte. Bang dat mijn kuddekwartet uiteen valt ben ik niet. Mijn eigen boer is door mijn wol geverfd en kijkt altijd achterom. Vriend B. stelt voor een werphengel aan te schaffen. Hij drinkt van zijn koffie en weet met luide stem de wereldproblematiek rondom CO2-uitstoot door de veeteelt op te lossen. Allemaal heel veel vlees eten, dan worden alle runderen geslacht en kunnen dus geen methaanvlaaien en methaanwinden meer uitscheten. Alles opgelost. Hij is zo slim, die man. We vergeven hem daarom dat hij zijn gehoorapparaat is kwijtgeraakt. Wel lastig, want die van zijn lieftallige echtgenoot, vriendin M., is defect. Bereid je maar voor, had zij in de trein al geroepen, op een weekend met veel wattes en hè’s. Ik zat in de trein bijna een hele coupé van vriend B. verwijderd. Zonder enige moeite volgde ik echter zijn betoog over bommen en Noord-Korea. Een stuurse man spanje mei 17 nijntjewaar ik linksvoor zicht op had was er goed chagrijnig van. Hij draaide zich meermalen om en probeerde middels een stare-down de volumeknop van B. op afstand te bedienen. Zonder resultaat. Wel moet nog even gezegd worden dat de treinreis vrijwel vlekkeloos verliep. Als ik mij met Reisman over het Nederlands Spoor verplaats, gaat er altijd iets mis. Ik wijt dat aan diens OV-haataura, dat als een blauwgeel gifwolkje bijna zichtbaar boven zijn hoofd hangt. Deze keer zijn er werkzaamheden ergens bij Weesp. Daarvan hadden we ons via diverse digitale kanalen van tevoren op de hoogte laten brengen. Vier keer overstappen en een deel van het traject per bus vervoerd worden, dat was vragen om moeilijkheden. Dus reisden we via Utrecht. Waar het bord op het perron vermeldde dat de trein niet verder zou gaan dan de Bijlmer. Verwarring alom. Tot er een NS-informateur enkele keren uitgebreid uitlegde waarom dat op het bord stond. Zijn uitleg was onbegrijpelijk. Dat vond hij zelf ook. In ieder geval kwam het goed, helemaal goed.

    © 2017 Divit

    Main Menu